Saturday, October 14, 2017

 

Ik zag het voor me. Ik zag de grote auto’s en ik zag mijn zuster er in zitten. Je kunt niets doen’, zei mijn vader, je kunt geen hand uitsteken’.

Ik wist niet wat ik zeggen moest. Ik voelde me net als die keer, lang geleden, dat ik haar bijna had zien verdrinken. We waren bij mijn grootouders in de Achterhoek gelogeerd en van daar uit brachten we een dagje aan de Dinkel door. Ik was zeven en Bettie acht. We mochten pootje baden, terwijl mijn ouders onder een boom in de schaduw zaten. We plukten bloemen aan de waterkant en Bettie zei: Daar aan de overkant staan mooie’. Ze stapte er heen en ik zag hoe ze in het water verdween. Ik stond sprakeloos en onbeweeglijk naar haar arm te kijken, die alleen boven het water uitstak, doordat ze zich aan een graspol had vastgegrepen. Mijn vader is toen gekleed in het water gesprongen en kon nog juist haar hand grijpen.

Lang bleef ik die boven het water uitstekende arm voor me zien. Het was een heel andere arm geworden, dan zij in werkelijkheid had. Als we met elkaar speelden, of als we aan tafel zaten, keek ik er naar en dan kon ik er geen gelijkenis meer in vinden.

We waren bij ons huis aangekomen. Mijn vader ging naar binnen. Ik bleef in de voortuin en ging op het bankje zitten. In de perken bloeiden narcissen en tulpen. De dag tevoren had ik er wat van geplukt; ik kon zien waar ik ze afgeknipt had. Binnen vertelde mijn vader van de overvalwagen die was komen voorrijden.

Nu had het geen zin dat ze haar arm uit die auto stak. Als ze het deed, was het alleen omdat er binnen geen plaats meer voor was, want er was niemand die haar van buiten af zijn hand zou reiken.

 

Marga Minco
Het bittere kruid : Zes fragmenten uit een kleine kroniek
Maatstaf - Jaargang 4 (1956-1957)
link


Thursday, October 12, 2017
Sunday, October 15, 2017